A.J. Wullink
In opdracht van Bureau Land heeft RAAP in april 2025 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Oostgouweweg/Steekterweg in Alphen aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn.
Aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen verkoop van het plangebied door de gemeente Alphen aan de Rijn. Het bureauonderzoek dient om inzichtelijk te maken in hoeverre potentiële kopers rekening moeten houden met eventueel archeologisch onderzoek voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie. Dit rapport kan worden gebruikt bij een toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning.
Het plangebied ligt op de beddinggordel van de Oude Rijn, op de rand van een restgeul uit de Romeinse tijd. Het beddingzand wordt in het plangebied binnen 50 cm -mv verwacht. Hierop is een zavelige bouwvoor aanwezig. Het terrein is in de jaren 1980 waarschijnlijk afgevlet; het is niet bekend hoeveel klei hierbij is gegraven. De huidige bouwvoor is waarschijnlijk de oorspronkelijke bouwvoor die na het afkleien weer is terug gezet.
Bij archeologische onderzoeken in de omgeving zijn met name sporen van landgebruik (greppels/sloten) vanaf de Romeinse tijd en bewoningssporen (funderingen, kuilen etc.) vanaf de late middeleeuwen aangetroffen. ER zijn echter geen complete erven of nederzettingen gevonden in de directe omgeving.
Uit historisch kaartmateriaal kan worden afgeleid dat bewoning vanaf de late middeleeuwen zich voornamelijk langs de Gouwe en de Rijndijk concentreerde. Het plangebied is, voor zover bekend niet bebouwd geweest in de Nieuwe tijd.
Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een verwachting voor sporen van landgebruik vanaf de Romeinse tijd. Bewoningssporen worden niet direct verwacht, maar kunnen ook niet worden uitgesloten, met name omdat het gebied wel intensief gebruikt is vanaf de Romeinse Tijd.
Het plangebied is waarschijnlijk afgevlet. Het booronderzoek dat RAAP in 2005 heeft uitgevoerd, heeft aangetoond dat er een zavelige bouwvoor aanwezig is die waarschijnlijk bestaat uit grond die na het afvletten is terug gezet. Direct onder de bouwvoor is het beddingzand van de Oude Rijn aanwezig. Dit betekent dat een eventuele archeologische laag is verdwenen en archeologische resten alleen worden verwacht in de vorm van grondsporen, zoals paalkuilen, afvalkuilen, sloten en greppels, in de top van het beddingzand, dus vanaf circa 50 cm -mv. Eventuele vindplaatsen worden dus gekenmerkt door grondsporen een lage vondstdichtheid.
Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: In het plangebied wordt een zavelige bouwvoor op beddingafzettingen van de Oude Rijn verwacht.
Het plangebied heeft een verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik vanaf de Romeinse tijd.
Het plangebied is waarschijnlijk afgevlet, waardoor een deel van de oeverafzettingen op de beddinggordel is verdwenen en daarmee ook een eventuele archeologische laag.
Eventuele vindplaatsen kenmerken zich door (restanten van) diepere grondsporen zoals sloten/ greppels, paalkuilen en afvalkuilen. De verwachte vondstdichtheid is laag. Resten worden verwacht in de top van het beddingzand, vanaf circa 50 cm -mv.
De verwachting wijkt, dankzij voortschrijdend inzicht, af van de verwachting uit het onderzoek van RAAP uit 2005. Destijds is gesteld dat het bodemprofiel intact was en werd het ontbreken van archeologische indicatoren in karterende boringen als bewijs gezien voor het ontbreken van vindplaatsen. Nu kunnen we echter stellen dat de archeologische laag ontbreekt, door afvletten of andere vormen van grondgebruik, maar dat er nog wel grondsporen aanwezig kunnen zijn. Dit is een zienswijze die beter is ontwikkeld dan twintig jaar geleden.
Gezien de verwachting voor archeologische resten vanaf de Romeinse tijd is vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek. Omdat het plangebied in 2005 al is onderzocht door middel van een booronderzoek, kan een verkennende fase worden overgeslagen en meteen worden gestart met een karterend/waarderend onderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vindplaatsen op te sporen, te begrenzen en te waarderen. Omdat vindplaatsen worden verwacht in de vorm van grondsporen, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek. Hiervoor moet een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid moet worden goedgekeurd.