H.B.G. Scholte Lubberink
In het polderland aan de oostzijde van de bebouwde kom van Urk wordt gewerkt aan de realisatie van de Zeeheldenwijk: een nieuwe, moderne woonwijk waar uiteindelijk meer dan 1500 woningen met bijbehorende voorzieningen zullen verrijzen. Het gehele plangebied wordt aan de westzijde van het bedrijventerrein 'Zwolschehoek' gescheiden door een watergang, de Zuidermeertocht. Aan de oost - en zuidzijde grenst het plangebied aan landelijk gebied, waarvan het zuidelijk deel getransformeerd zal worden naar een nieuw Binnendijks bedrijventerrein. De Zeeheldenwijk wordt in een aantal fasen ontwikkeld. Het gebied van ontwikkelfase 1, waarop het in deze rapportage beschreven onderzoek betrekking heeft, omvat het westelijke en noordwestelijke deel van plangebied Zeeheldenwijk. Aan de noordzijde van de Urkerweg/Urkervaart behoren de gronden van de kinderboerderij De Stekplek, waar een busstation met ontsluitingsweg gerealiseerd zal worden, eveneens tot het plangebied en ontwikkelfase 1.
Het archeologisch onderzoek in het gebied van ontwikkelfase 1, dat in het onderhavige rapport gepresenteerd is, is in twee fasen uitgevoerd en richtte zich op enkele rivierduinen: het zuidwestelijke duin, het grote westelijke duin, het noordoostelijke duin en het duin ten noorden van de Urkervaart. De eerste fase bestond uit een karterend onderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding (variant proefsleuven) van het uitgraven van weg- en leiding- en slootcunetten, een aanvullend booronderzoek en het graven van proefsleuven. De tweede fase uit een archeologische opgraving op geselecteerde delen van het grote westelijke duin. De voorliggende rapportage omvat de inhoudelijke resultaten, de beschrijving van lagen en grondsporen en de beschrijving van het verzamelde archeologische materiaal van/uit de in ontwikkelfase 1 uitgevoerde onderzoeken inclusief de resultaten van een kleinschalige begeleiding ter plaatse van het zogenaamde Infinityterrein aan de zuidoostzijde van de geplande Zeeheldenwijk.
De ondergrond van de Zeeheldenwijk bestaat uit een glooiend en welvend dekzandlandschap, gevormd in het Laat-Pleistoceen, waarin zich (ca. 150 m noordelijk van de noordgrens van het plangebied) de fossiele stroomgordel van de Overijsselse Vecht bevindt. Tegen het einde van het Pleistoceen of in het begin van het Holoceen zijn in het Vechtdal uit drooggevallen rivierbeddingen duinen opgestoven, waarvan een deel zich binnen de grenzen van de toekomstige Zeeheldenwijk bevindt. De diachrone landschappelijke ontwikkeling van het plangebied gedurende het Holoceen is verder bepaald door de aan de zeespiegelstijging gerelateerde grondwaterstijging, die het gevolg was van het opwarmen van het klimaat waardoor het landijs ging smelten.
Het langzaam verdrinkende landschap, met rivieren, moerassen en rivierduinen vormde vanwege zijn rijkdom aan wild en andere voedselbronnen een aantrekkelijk leefgebied voor jagers-verzamelaars in het mesolithicum. Hun tijdelijke kampementen bevonden zich op de rivierduinen. Tijdens het archeologisch onderzoek zijn vooral sporen van hun aanwezigheid gevonden op het grote westelijke duin. Het gaat hierbij om 77 haardkuilen, twaalf clusters en diverse geïsoleerd liggende haardkuilen, vuurstenen en stenen artefacten, en houtskool. 14C-dateringen aan diverse haardkuilclusters getuigen van menselijke aanwezigheid tussen 7600 en 6700 v.Chr. en tussen 6000 en 5000 v.Chr. 14C-gedateerd houtskool uit enkele paalkuilen bewijst ook aanwezigheid in de tussengelegen periode. Er is duidelijk sprake van een ruimtelijk-chronologische trend. Vroegmesolithische haardkuilen lagen op het zuidwestelijke uiteinde en in de diepe depressie in het noorden van het grote westelijke duin. Middenmesolithische exemplaren bevonden zich uitsluitend rond die depressie. Laatmesolithische haardkuilen tenslotte, zijn enkel op het hooggelegen noordelijke uiteinde van het duin aangetroffen. Hieronder zijn de grote(re) haardkuilenclusters. De diachrone verschuiving van haardkuilen(clusters) hangt vermoedelijk samen met de landschappelijke veranderingen. Waarschijnlijk bleef het noordelijke deel van het westelijke rivierduin steeds goed ontsloten via open water, terwijl het zuidwesten daar verder van af kwam te liggen.
Van duidelijke mesolithische vondstconcentraties was op het grote westelijke duin nauwelijks sprake; het verspreidingsbeeld is tamelijk diffuus. Een uitzondering vormt een klein gebied op het noordelijke uiteinde van het duin. Daar is een vondstconcentratie in vierkantemetervakken onderzocht. Ook is daar relatief veel vondstmateriaal (vuursteen en in een mindere mate ook steen) uit de vullingen van haardkuilen afkomstig.
Uit het onderzoek van houtskool dat uit de vullingen van haardkuilen afkomstig is, blijkt dat den vrijwel de enige brandstof was in de haardkuilen uit het vroege en midden-mesolithicum. Na deze periode werd dennenhout vervangen door hout van voornamelijk eik en diverse andere loofhoutsoorten.
Op een hooggelegen deel op het noordelijke uiteinde van het westelijke rivierduin zijn verder twee clusters van paalsporen aangetroffen in een ondiepe depressie in het duinoppervlak. Ter plaatse van die depressie waren restanten van het natuurlijke bodemprofiel wel nog bewaard gebleven, terwijl het omliggende duin door natuurlijke erosie en modern agrarisch gebruik was afgetopt. In de paalsporenconstellatie zijn twee structuren herkend. Structuur 1 bestond uit een onregelmatig, enigszins ovaal of afgerond rechthoekig sporencluster met een omvang van circa 7 bij 3,75 m. Structuur 2 had een omvang van 4,7 bij 3,2 m en bestond uit een rechthoekige configuratie van paalsporen, waarin een (incomplete?) hutplattegrond gezien kan worden.
Van houtskool uit de vullingen van totaal drie paalsporen van beide structuren zijn 14C-dateringen verkregen, die grotendeels (te oud zijn en) in het midden-mesolithicum vallen. De jongste van deze drie dateringen van houtskool uit structuur 1, tussen 5040-4790 cal BC, zal de werkelijke ouderdom van beide structuren het dichtst zal benaderen. Deze geeft een theoretisch vroegste datering rond de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum (SW1). De grondwatercurve voor het voormalige Zuiderzeegebied verschaft een sluitdatering in de eerste helft van het midden-neolithicum, tussen 3900-3500 v.Chr. De geringe omvang, de (gezien de geringe paalkuildiameters) lichte constructie van de hut en de schaarste aan vondstmateriaal duiden op een kortstondig gebruikt onderkomen. Hutten uit het mesolithicum of vroeg-neolithicum zijn binnen Nederland een zeldzaamheid.
Uit de vullingen van vier tot structuur 2 gerekende paalsporen, evenals uit een binnen deze structuur gelegen natuurlijk spoor, zijn brokjes en schilfers graniet geborgen. Mogelijk (afgesplinterde) fragmenten van in en rond de hut gebruikte maal- of klopstenen, maar verder niet te dateren. Ten noorden en ten zuiden van structuur 2 aangetroffen met granietgruis gemagerde scherfjes handgevormd aardewerk moeten in SW1 of 2 geplaatst worden. Maar ook deze vondsten kennen slechts een open associatie met de hutplattegrond. Gezien de aanwezigheid van Swifterbant- en Pre-Drouwener vindplaatsen op een steenworp afstand van het grote westelijke duin is een plattegrond uit de voornoemde tijdspanne in ieder geval niet verbazingwekkend.
Verder zijn op het zuidelijke deel van het grote westelijke duin enkele scherven handgevormd aardewerk gevonden die eveneens aan SW1 of 2 toegewezen moeten worden. Verspreide stenen artefacten, klop- en hamerstenen, kunnen zowel van een mesolithische als een neolithische oorsprong zijn. Een kies van een (wild) zwijn is het enige onverbrande botfragment van het grote westelijke duin.
Op de overige duinen zijn minder archeologische grondsporen en andere resten aangetroffen. Het onderzoek op deze duinen is beperkt gebleven tot een proefsleuvenonderzoek. Op het zuidwestelijke duin is een enkele kuil en een handvol weinig diagnostisch mesolithisch vuursteen aangetroffen. Het duin ten noorden van de Urkervaart (AMK-terrein 1693) was door modern agrarisch gebruik sterk afgetopt. Op de noordflank van dit duin zijn enkele laatmesolithische haardkuilen en een kuil opgetekend. Verder is een klein aantal niet nader dateerbare vuurstenen artefacten verzameld. Het noordoostelijke duin was sterk aangetast door verspoeling. In verspoelde contexten zijn enkele artefacten uit het laat-neolithicum en de vroege bronstijd aangetroffen. De aardewerkscherven uit de late klokbekerperiode en uit de vroege bronstijd, en daarbij gevonden vuurstenen en stenen artefacten en fragmenten dierlijk bot, moeten oorspronkelijk zeker 3-3,5 m hoger gelegen hebben en wijzen op waarschijnlijk periodiek gebruik van het toenmalige, uitgestrekte hoogveenlandschap dat in die tijd in het zuidwesten van de Noordoostpolder te vinden was.
Ten slotte en zeker niet onbelangrijk. De sporen van grootschalige verspoeling zoals die zijn vastgesteld op het grote westelijke duin en op het noordoostelijke duin staan mogelijk in verband met grootschalige verspoeling in de periode rond 3.800 v.Chr. Ook elders in Nederland is die periode een beeld ontstaan van grootschalige erosie vanuit zee, tot zeer ver landinwaarts en waarschijnlijk veroorzaakt door een tsunami. Onderzoek aan in een verspoelde context op de westflank van het noordoostelijke duin aangetroffen Pre-Drouwen-materiaal zal mogelijk uitsluitsel over deze kwestie kunnen geven.